Uitspraak
4 september 2015, 14/6485 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag gedaan voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening en vernietigde het collegebesluit.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is in lijn met eerdere jurisprudentie van de Raad. Het feit dat vreemdelingen niet worden toegelaten tot de VBL leidt niet tot een ander oordeel, omdat hiertegen beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de rechtmatigheid beslist.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.