Uitspraak
4 september 2015, 14/6637 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, diende een aanvraag in voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een VBL (voorziening bed, bad, en leefruimte) een voorliggende voorziening is die voldoet aan de internationale verplichtingen en de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt. Het feit dat betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL leidt niet tot een ander oordeel, omdat hiervoor een aparte rechtsgang bij de vreemdelingenrechter openstaat.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek van betrokkene af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wordt bevestigd.