Uitspraak
OVERWEGINGEN
5 maart 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening en vernietigde het besluit van het college.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad stelde vast dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en voorliggende voorziening geldt, die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere jurisprudentie en het internationaal recht dat een positieve opvangverplichting inhoudt.
Hoewel betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL, acht de Raad dit geen reden om anders te oordelen, omdat tegen een weigering beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover beslist. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.