Uitspraak
4 september 2015, 14/5750 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
5 maart 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag gedaan voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op opvang overeenkomstig de bed-bad-broodvoorziening en legde een dwangsom op wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Het feit dat betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL leidt niet tot een ander oordeel, omdat hiertegen beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover oordeelt.
Daarom werd het hoger beroep van het college gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond. De beslissing van de rechtbank over de dwangsom wegens niet tijdig beslissen werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond; de dwangsom wegens niet tijdig beslissen wordt bevestigd.