Uitspraak
11 september 2015, 14/5850 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, diende een aanvraag in voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd op 31 maart 2014 afgewezen en het bezwaar van betrokkene tegen deze afwijzing werd bij besluit van 28 augustus 2014 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die voldoet aan de internationale verplichtingen en de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Het feit dat betrokkene inmiddels rechtmatig verblijf heeft, verandert hier niets aan omdat de VBL ten tijde van belang feitelijk beschikbaar was.
Daarom wordt het hoger beroep van het college gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van maatschappelijke opvang blijft in stand.