Uitspraak
11 september 2015, 14/5848 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
5 maart 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Deze aanvraag werd op 5 maart 2014 afgewezen en het bezwaar daarop bij besluit van 30 juli 2014 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een aan de Wmo voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat vreemdelingen gebruik kunnen maken van opvang in een VBL en dat deze opvang voldoet aan de internationale verplichtingen tot het bieden van opvang.
Daarmee slaagde het hoger beroep van het college en werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd. De Raad verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en wees de vordering af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd vanwege de opvang in een VBL als voorliggende voorziening.