Uitspraak
15 september 2015, 14/6670 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
4 juli 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, verzocht om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde echter dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt. Dit oordeel volgt uit eerdere jurisprudentie en internationale verplichtingen.
Hoewel betrokkene aanvoerde niet tot de VBL te worden toegelaten, achtte de Raad dit geen reden voor een ander oordeel omdat tegen weigering beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover beslist.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarmee de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo standhield.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van maatschappelijke opvang op grond van de Wmo gehandhaafd.