Uitspraak
18 september 2015, 15/237 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag gedaan voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang volgens de bed-bad-broodvoorziening.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening geldt, die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Het feit dat betrokkene niet tot de VBL werd toegelaten, leidt niet tot een ander oordeel omdat daartegen beroep mogelijk is bij de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover oordeelt.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd vanwege het bestaan van opvang in een VBL als voorliggende voorziening.