Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:3987

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 oktober 2016
Publicatiedatum
19 oktober 2016
Zaaknummer
15/8378 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 1 WWBArt. 21 WWBArt. 27 WWBArt. 30 WWBArt. 8 lid 1 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstand wegens ontbreken woonkosten bij anti-kraakwoning

Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf aan te wonen in een anti-kraakpand. Het college verleende aanvankelijk bijstand inclusief een toeslag, maar verlaagde deze later met een bedrag vanwege het ontbreken van woonlasten, omdat appellant geen huur betaalde maar een vergoeding voor bedrijfskosten.

Appellant maakte bezwaar tegen deze verlaging, stellende dat hij vanwege zijn gezondheidssituatie en de hoogte van de vergoeding niet rond kon komen en dat andere gemeenten de bijstand niet verlagen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad overwoog dat volgens de toepasselijke verordening woonkosten alleen bestaan uit huur of hypotheeklasten en dat de vergoeding die appellant betaalt niet als huur kan worden aangemerkt. Er waren geen zeer bijzondere omstandigheden die individuele afstemming op grond van artikel 18 lid 1 WWB Pro rechtvaardigen. De stelling van appellant over zijn financiële situatie en gezondheid was onvoldoende onderbouwd.

De Raad verwierp ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel, aangezien de WWB gedecentraliseerd wordt uitgevoerd en gemeenten beleidsvrijheid hebben. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de bijstand wegens ontbreken van woonkosten bij anti-kraakwonen zonder individuele afstemming.

Uitspraak

15/8378 WWB
Datum uitspraak: 18 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
24 november 2015, 15/2307 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.N. van Geenen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Geenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.W. Venderbos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 8 oktober 2014 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Daarbij heeft appellant opgegeven dat hij woont in een
anti-kraakpand op het adres [adres] (opgegeven adres).
1.2.
In het kader van zijn aanvraag heeft appellant een overeenkomst tot Tijdelijk Gebruik van 15 september 2014 overgelegd. Uit deze overeenkomst blijkt dat appellant, al dan niet gedeeld, tijdelijk gebruik mag maken van het pand op het opgegeven adres teneinde daar verblijf te houden. Appellant is een maandelijkse vergoeding van € 220,- verschuldigd, welke vergoeding strekt tot bestrijding van de bedrijfskosten van [bedrijf] , niet zijnde de eigenaar/beheerder van het pand, en niet aan huur in de zin van het Burgerlijk Wetboek kan worden gelijkgesteld. De kosten van nutsvoorzieningen, zoals gas, water en elektra zijn bij de gebruikersvergoeding inbegrepen, mits het gebruik per jaar niet het gemiddelde gebruik van een huishouden van gelijke grootte als dat van de gebruiker/bruiklener te boven gaat. Ook de kosten van gemeentelijke belastingen en overige heffingen zijn bij de gebruikersvergoeding inbegrepen.
1.3.
Bij besluit van 22 oktober 2014 heeft het college aan appellant met ingang van
20 september 2014 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% van het minimumloon omdat hij de noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen.
1.4.
Bij besluit van 22 december 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2014 gewijzigd (lees: herzien) in die zin dat de bijstand van appellant wordt verlaagd met € 226,98 vanwege het ontbreken van woonlasten.
1.5.
Bij besluit 12 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 december 2014 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de bijstand wordt verlaagd omdat geen sprake is van woonkosten in de zin van de Toeslagenverordening WWB 2013 van de gemeente Venlo (hierna: Toeslagenverordening) aangezien appellant geen huur betaalt. De vergoeding die appellant betaalt strekt tot bestrijding van de bedrijfskosten. De kosten van de nutsvoorzieningen en de kosten van gemeentelijke belastingen en overige heffingen zijn bij het gebruik inbegrepen. In wat appellant heeft aangevoerd over zijn gezondheidssituatie ziet het college geen aanleiding de bijstand individueel af te stemmen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd
.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Ingevolge artikel 27 van Pro de WWB kan het college, voor zover van belang, de norm als bedoeld in artikel 21, lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.
4.1.2.
Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm bedoeld in artikel 30. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald. Verhoging of verlaging van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag vindt ingevolge artikel 30, vierde lid, van de WWB plaats onverminderd artikel 18, eerste lid, van de WWB.
4.1.3.
In artikel 1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Toeslagenverordening is bepaald dat onder woonkosten wordt verstaan:
1. als een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs, als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag;
2. als een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, bestaande uit de rioolrechten, het eigenaarsgedeelte van de onroerendzaakbelasting, de opstalverzekering en het eigenaarsdeel van de waterschapslasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor groot onderhoud.
4.1.4.
In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Toeslagenverordening, is bepaald dat de verlaging bedoeld in artikel 27 van Pro de wet voor de alleenstaande, alleenstaande ouder en gehuwden het bedrag bedraagt van de basishuur (woonkostenfactor in de WWB) zoals omschreven in de artikelen 16 en 17 van de Wet op de Huurtoeslag als een woning wordt bewoond waarvoor de belanghebbende geen woonkosten verschuldigd.
4.1.5.
Artikel 18, eerste lid, van de WWB geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de WWB, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. In zeer bijzondere situaties is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8450) plaats voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging.
4.2.
Niet in geschil is dat in dit geval, gelet op het feit dat appellant geen huur betaalt en geen woonkosten heeft als bedoeld in de Toeslagenverordening. Evenmin is in geschil dat het college in overeenstemming met de bepalingen van de Toeslagenverordening de bijstand van appellant heeft afgestemd. Het geschil is beperkt tot de vraag of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die een nadere afstemming met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB rechtvaardigen.
4.3.
In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond voor het oordeel dat hij in een zeer bijzondere situatie verkeert die nadere afstemming met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB rechtvaardigt. Dat appellant een verbruikersvergoeding betaalt, is niet aan als een zeer bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld aan te merken. Uit 1.2 volgt bovendien dat in deze vergoeding ook de kosten van de nutsvoorzieningen en de kosten van gemeentelijke belastingen en overige heffingen zijn inbegrepen. Daarnaast is de enkele niet onderbouwde stelling van appellant dat hij gelet op de hoogte van de verbruikersvergoeding niet kan rondkomen, ontoereikend. Voorts blijkt uit de overgelegde verklaring van een huisarts niet dat appellant, anders dan hij heeft betoogd, vanwege zijn gezondheidssituatie is aangewezen op anti-kraakwonen. Dit betekent dat het college in dit geval de bijstand op juiste wijze heeft afgestemd.
4.4.
De beroepsgrond van appellant dat het college handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat andere gemeenten de bijstand niet verlagen met de woonkostenfactor, slaagt niet. De WWB voorziet in een gedecentraliseerde uitvoering, waarmee de mogelijkheid van verschillende uitvoering per gemeente is gegeven.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2016.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) L.V. van Donk

HD