ECLI:NL:CRVB:2016:4025
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand met terugwerkende kracht zonder bijzondere omstandigheden
Appellanten ontvingen respectievelijk een Ziektewet- en Werkloosheidswet-uitkering die per 13 juli 2014 werd beëindigd. Het UWV wees appellanten op het recht om zelf bijstand aan te vragen. Appellanten vroegen op 4 september 2014 bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf 13 juli 2014. Het college kende bijstand toe vanaf 12 augustus 2014, maar wees terugwerkende kracht af.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond. In hoger beroep stelden appellanten dat zij recht hadden op bijstand vanaf 13 juli 2014, dan wel vanaf 7 augustus 2014 toen het college op de hoogte was van hun situatie. De Raad oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond die rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.
De Raad benadrukte dat bijstand op aanvraag wordt verstrekt en dat appellanten zelf de aanvraag moesten indienen. Het feit dat zij eerst de hoogte van de toeslag afwachtten, kwam voor eigen rekening en risico. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Geen bijstand met terugwerkende kracht toegekend wegens ontbreken bijzondere omstandigheden.