Uitspraak
4 september 2014, 13/5104 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, die sinds mei 2007 als vennoot in de maatschap van zijn ouders participeerde en vanaf dat moment winst uit onderneming bij de Belastingdienst aangaf, vroeg een voorziening aan voor startende zelfstandigen op grond van artikel 34a Wet WIA. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees deze aanvraag af, en de rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond op basis van het overgangsrecht in artikel 133e Wet WIA.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet als startende zelfstandige in de zin van artikel 34a Wet WIA kon worden aangemerkt omdat hij zijn zelfstandige arbeid al voor 1 januari 2010 was begonnen. De fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteit die appellant gebruikte, deed hieraan niet af. Appellant voerde aan dat hij om fiscale redenen pas vanaf 2010 als startende ondernemer moest worden gezien, maar de Raad volgde deze redenering niet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en overwoog dat het overgangsrecht expliciet bepaalt dat artikel 34a niet van toepassing is op zelfstandigen die hun arbeid voor de inwerkingtreding van de wet zijn begonnen, tenzij zij aanspraak hadden op een eerdere voorziening. Aangezien appellant niet onder deze uitzondering valt, komt hij niet in aanmerking voor de voorziening. De Raad zag geen grond om de aanvang van zelfstandige arbeid te koppelen aan het gebruik van de startersaftrek. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een voorziening voor startende zelfstandigen op grond van artikel 34a Wet WIA vanwege het overgangsrecht in artikel 133e Wet WIA.