Uitspraak
18 september 2015, 14/8423 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, vroeg maatschappelijke opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op opvang op grond van de Wmo.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is in lijn met eerdere jurisprudentie van de Raad.
Hoewel betrokkene stelde niet tot de VBL te zijn toegelaten en dat de voorwaarde van medewerking aan vertrek onrechtmatig zou zijn, achtte de Raad dit geen reden voor een ander oordeel. De beoordeling van toelating tot de VBL en de rechtmatigheid van de voorwaarden behoort tot de vreemdelingenrechter en uiteindelijk de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.