Uitspraak
25 september 2015, 15/13 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag bij besluit van 31 juli 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 28 november 2014.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht heeft op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening geldt, waarmee de noodzaak van opvang op grond van de Wmo vervalt. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en het internationaalrechtelijke kader. Daarom vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond. Een beoordeling van andere gronden is niet meer aan de orde. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.