Uitspraak
25 september 2015, 14/8287 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag bij besluit van 25 augustus 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 3 december 2014.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang via de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en het internationale recht dat een positieve opvangverplichting inhoudt. Daarom wordt het hoger beroep van het college gegrond verklaard, wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De beslissing is genomen door rechter H.J. de Mooij, met griffier M.S.E.S. Umans, en uitgesproken op 26 oktober 2016.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang uitsluit.