Uitspraak
29 september 2015, 14/7698 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, diende een aanvraag in voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag op 31 juli 2014 af en verklaarde het bezwaar van betrokkene tegen deze afwijzing op 19 november 2014 ongegrond.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat een vreemdeling gebruik kan maken van opvang in een VBL en dat deze opvang voldoet aan de internationale verplichtingen tot het bieden van opvang.
Daarmee slaagde het hoger beroep van het college, werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is.