Uitspraak
29 september 2015, 14/7156 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, diende een aanvraag in voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd op 29 augustus 2014 afgewezen en het bezwaar daarop ongegrond verklaard bij besluit van 28 oktober 2014.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is in lijn met eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2015:3803). Hierdoor werd het hoger beroep van het college gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De beslissing werd uitgesproken door de voorzitter H.J. de Mooij en griffier M.S.E.S. Umans op 26 oktober 2016.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd vanwege het bestaan van een voorliggende voorziening in de vorm van opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie.