Uitspraak
15 september 2015, 14/6633 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Deze aanvraag werd op 28 mei 2014 afgewezen en het bezwaar daarop ongegrond verklaard bij besluit van 29 september 2014.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Het college stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. De Raad bevestigde dat een vreemdeling als betrokkene gebruik kan maken van opvang in een VBL en dat deze opvang voldoet aan de internationale verplichtingen tot het bieden van opvang.
Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en oordeelde dat het college terecht de aanvraag voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo had afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de maatschappelijke opvang op grond van de Wmo bevestigd wegens opvang in een voorliggende voorziening (VBL).