ECLI:NL:CRVB:2016:4060

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2016
Publicatiedatum
26 oktober 2016
Zaaknummer
15/7033 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Vw 2000Art. 11 Vw 2000Wet maatschappelijke ondersteuning
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening VBL

Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college wees deze aanvraag bij besluit van 31 juli 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 4 november 2014. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.

Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening moet worden beschouwd die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. De Raad verwees daarbij naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2015:3803) waarin werd bevestigd dat vreemdelingen gebruik kunnen maken van opvang in een VBL en dat deze opvang voldoet aan de positieve verplichting uit het internationaal recht.

De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De beslissing werd genomen door rechter H.J. de Mooij, met griffier M.S.E.S. Umans, en uitgesproken op 26 oktober 2016.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die opvang op grond van de Wmo uitsluit.

Uitspraak

15/7033 WMO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
18 september 2015, 14/7653 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (het college)
[betrokkene] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.
De zaken 15/6739, 15/6988, 15/6744, 15/6984, 15/6746, 15/6962, 15/6808, 15/7412, 15/6820, 15/7280, 15/6823, 15/7265, 15/6825, 15/7214, 15/6828, 15/7270, 15/7213, 15/6830, 15/6854, 15/7274, 15/7030, 15/7033, 15/7084, 15/7304, 15/7103, 15/7263, 15/7106, 15/7292, 15/7107, 15/7288, 15/7120, 15/7294, 15/7121, 15/7308, 15/7122, 15/7286, 15/7123, 15/7282, 15/7124, 15/7259, 15/7125, 15/7287, 15/7126, 15/7312, 15/7127, 15/7313, 15/7128, 15/7309, 15/7164, 15/7290, 15/7165, 15/7302, 15/7167, 15/7306, 15/7239, 15/7508, 15/7248, 15/7513, 15/7234, 15/7317, 15/7318, 15/7338, 15/7254, 15/7325, 15/7255, 15/7497, 15/7258 en 15/7490 zijn voor gevoegde behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 17 augustus 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Betrokkene is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.
1.2.
Het college heeft de aanvraag van betrokkene aangemerkt als aanvraag om opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en deze aanvraag bij besluit van 31 juli 2014 afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 4 november 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 31 juli 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 31 juli 2014 herroepen en bepaald dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo overeenkomstig de bed-bad-broodvoorziening.
3. Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De beroepsgrond van het college dat de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang doet vervallen, slaagt. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803, heeft overwogen mag ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling als betrokkene van de opvang in een VBL gebruik kan maken, dat de opvang in een VBL in het algemeen aangemerkt kan worden als een voldoende voorziening in het bieden van opvang en dat met plaatsing in een VBL voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende positieve verplichting opvang te bieden. Daarmee is de opvang in een VBL een aan de Wmo voorliggende voorziening die de noodzaak van opvang op grond van die wet wegneemt.
4.2.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van het college slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Aan een beoordeling van de andere gronden wordt niet toegekomen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) M.S.E.S. Umans
GdJ