Uitspraak
2 oktober 2015, 14/8456 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en voorliggende voorziening kan worden aangemerkt, die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Hiermee wordt ook voldaan aan de positieve verplichting uit het internationaal recht om opvang te bieden.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Een nadere beoordeling van andere gronden van hoger beroep was niet nodig. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.