Uitspraak
2 oktober 2015, 14/8428 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
2 september 2014 afgewezen.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag bij besluit van 2 september 2014 af, en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 8 december 2014.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die voldoet aan de internationale verplichtingen en de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wordt afgewezen vanwege opvang in een voorliggende voorziening in een VBL.