Uitspraak
6 oktober 2015, 15/232 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ingediend. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag op 25 augustus 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 22 december 2014.
De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening en vernietigde het collegebesluit. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening geldt, waarmee wordt voldaan aan de internationale verplichting tot opvang. Hierdoor vervalt de noodzaak van opvang op grond van de Wmo. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, zonder de overige gronden te beoordelen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.