Uitspraak
2 oktober 2015, 15/485 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag bij besluit af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening en vernietigde het besluit van het college.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening geldt, die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en internationale verplichtingen tot opvang.
De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien tot het opleggen van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door H.J. de Mooij in aanwezigheid van griffier M.S.E.S. Umans op 26 oktober 2016.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd omdat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie een voorliggende voorziening is.