Uitspraak
2 oktober 2015, 14/7398 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
8 augustus 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, vroeg maatschappelijke opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college wees de aanvraag op 8 augustus 2014 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 7 november 2014. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en internationale verplichtingen.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en wees het verzoek tot maatschappelijke opvang af. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door H.J. de Mooij op 26 oktober 2016.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wordt afgewezen vanwege opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie.