Uitspraak
2 oktober 2015, 14/8380 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag gedaan voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag bij besluit van 29 augustus 2014 af, en verklaarde het bezwaar ongegrond bij besluit van 8 december 2014.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat een vreemdeling als betrokkene gebruik kan maken van opvang in een VBL en dat deze opvang voldoet aan de internationale verplichtingen tot het bieden van opvang.
Gelet hierop vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond. Er wordt geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd vanwege het bestaan van een voorliggende voorziening in de vorm van opvang in een VBL.