Uitspraak
9 oktober 2015, 15/136 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
3 september 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag voor maatschappelijke opvang ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd op 3 september 2014 afgewezen en het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit werd op 19 december 2014 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo, overeenkomstig de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. De Raad verwierp het verweer van betrokkene dat opvang in een VBL niet van hem kan worden gevergd vanwege de voorwaarde van medewerking aan vertrek, omdat deze voorwaarde de feitelijke beschikbaarheid van de VBL niet aantast.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.