Uitspraak
9 oktober 2015, 15/1608 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
3 november 2014 afgewezen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, vroeg maatschappelijke opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het college wees deze aanvraag af op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en voorliggende voorziening geldt, die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere jurisprudentie en internationale verplichtingen.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2016.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.