ECLI:NL:CRVB:2016:4080
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening VBL
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd afgewezen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat een vreemdeling gebruik kan maken van opvang in een VBL en dat deze opvang voldoet aan de internationale verplichtingen tot het bieden van opvang.
De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Een nadere beoordeling van andere gronden van hoger beroep was niet nodig. Tevens werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.