ECLI:NL:CRVB:2016:4109

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2016
Publicatiedatum
26 oktober 2016
Zaaknummer
15/4420 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens ontbreken besluit in zin Awb

Appellant was tot februari 2013 in dienst als beleidsadviseur en werd ziek gemeld. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant na het bereiken van de maximale uitkeringsduur geen recht meer had op een Ziektewetuitkering. Werkgever maakte bezwaar tegen dit besluit, maar trok dit bezwaar later in. Het UWV informeerde appellant hierover bij brief, waarna appellant bezwaar maakte tegen de inhoud van deze brief.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb bevatte. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en stelt dat de brief slechts een mededeling is over de intrekking van het bezwaar door de werkgever, en geen publiekrechtelijke rechtshandeling van het UWV.

Appellant voerde in hoger beroep aan belanghebbende te zijn en stelde dat het ging om een keuring die achterwege bleef door de intrekking. Tevens klaagde hij over vermeend misbruik van de bezwaarprocedure door de werkgever en het verstrekken van privégegevens door het UWV. De Raad oordeelt echter dat dit niet leidt tot een ander oordeel over de ontvankelijkheid.

De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard omdat de brief geen besluit is in de zin van de Awb.

Uitspraak

15/4420 ZW
Datum uitspraak: 26 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
30 april 2015, 14/7599 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland (werkgever)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens werkgever heeft mr. M.P.W. Steuten, advocaat, een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2016. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. S. Spanjer. Werkgever is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft tot en met 10 februari 2013 in dienst van werkgever gewerkt als beleidsadviseur. Werkgever heeft hem vanaf 22 september 2011 ziek gemeld. Bij besluit van 26 juni 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant wegens het bereiken van de maximumduur van die uitkering, na 11 september 2013 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet. Werkgever heeft op 18 juli 2014 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij brief van 8 september 2014 heeft werkgever het bezwaarschrift ingetrokken.
1.2.
Bij brief van 15 september 2014 heeft het Uwv appellant geïnformeerd dat werkgever het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2014 heeft ingetrokken, dat de zaak daarmee is afgedaan, dat de bezwaarprocedure wordt beëindigd en dat er geen hoorzitting zal plaatsvinden. Appellant heeft tegen de inhoud van de brief van 15 september 2014 bezwaar gemaakt.
1.3.
Het Uwv heeft dit bezwaar bij besluit van 19 november 2014 (bestreden besluit)
niet-ontvankelijk verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de mededeling aan appellant in de brief van 15 september 2014 dat de (ex-)werkgever het bezwaar heeft ingetrokken niet kan worden aangemerkt als een rechtshandeling nu dit slechts de weergave is van een beslissing van de (ex-)werkgever en niet een door het Uwv genomen beslissing is. Deze brief brengt daarom geen wijziging in de rechtspositie van appellant teweeg en kan dus niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij belanghebbende is. Appellant heeft duidelijk gemaakt dat het hem in deze procedure niet gaat om een financieel belang, maar om een keuring door een verzekeringsarts die nu door de intrekking van het bezwaar door de werkgever achterwege is gebleven. Appellant heeft verder aangevoerd dat de werkgever de bezwaarprocedure heeft misbruikt om stukken over hem te verkrijgen en dat het Uwv aan de werkgever stukken heeft verstrekt die niets met de zaak te maken hebben en die zijn privéleven ernstig kunnen schaden.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In dit geding moet de Raad de vraag beantwoorden of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard. Dat betreft alleen de beoordeling of het bezwaar van appellant terecht
niet-ontvankelijk is geacht, omdat de mededeling in de brief van 15 september 2014 waartegen het bezwaar is gericht, geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb.
4.2.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Genoemde brief van 15 september 2014 van het Uwv bevat slechts de mededeling aan appellant dat de werkgever het bezwaar tegen de beslissing van
26 juni 2014 heeft ingetrokken en dat daarmee de bezwaarprocedure is geëindigd. De mededeling kan niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en daarom niet als een besluit in de zin van dat artikel (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juni 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT8031). De brief van 15 september 2014 heeft geen wijziging gebracht in de rechtsverhouding tussen appellant en het Uwv en was daar ook niet op gericht. Dat daarmee de bezwaarprocedure ook voor appellant als belanghebbende bij dat bezwaar is geëindigd maakt dit niet anders, omdat de intrekking het gevolg is van een handeling van de werkgever, niet van het Uwv.
5. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter, in tegenwoordigheid van
N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2016.
(getekend) A.T. de Kwaasteniet
(getekend) N. Veenstra
IvR