ECLI:NL:CRVB:2016:4123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verhoging militair invaliditeitspensioen na erkenning toegenomen invaliditeit
Appellant, geboren in 1952, heeft een militair invaliditeitspensioen toegekend gekregen op basis van een invaliditeit van 30%, voortkomend uit een militair ongeval in 1977. Na een verzoek tot verhoging van het pensioen in 2012, dat door de minister werd afgewezen, verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep ongegrond.
In hoger beroep heeft de minister op 10 mei 2016 een nieuw besluit genomen, waarbij op basis van een deskundigenrapport de invaliditeit werd vastgesteld op 80%. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het eerdere besluit onjuist was en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
Daarnaast veroordeelt de Raad de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant, inclusief reis- en verblijfkosten voor drie zittingen en het deskundigenonderzoek. De verblijfskosten worden beperkt tot acht dagen, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten voor het verblijf van de schoolgaande dochter van appellant worden niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het militair invaliditeitspensioen wordt verhoogd naar 80%.