Uitspraak
OVERWEGINGEN
19 november 2013 Nederland ingereisd en stond sinds 27 november 2013 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Drachten ingeschreven met een woonadres in [plaatsnaam 2] .
8 december 2013 als EU-onderdaan rechtmatig in Nederland verbleef. Uit artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG (Richtlijn) in verbinding met artikel 11, tweede lid, van de WWB volgt dat een EU-onderdaan pas na drie maanden van rechtmatig verblijf in Nederland in aanmerking kan komen voor bijstand. Appellante heeft erkend dat zij voordat zij de Spaanse nationaliteit kreeg illegaal in Nederland verbleef, zodat het college haar terecht de termijn van drie maanden uit artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn heeft tegengeworpen.
artikel 14, eerste lid, van de Richtlijn behouden zolang de Unieburgers geen onredelijke belasting vormen voor het socialebijstandsstelsel van het gastland.
19 november 2013 als EU-onderdaan Nederland is ingereisd en nadien hier rechtmatig heeft verbleven. Gelet hierop heeft het college terecht vastgesteld dat het verblijfsrecht van appellante in de te beoordelen periode is aan te merken als verblijf in de eerste drie maanden als EU-onderdaan.
11 oktober 2006.
9 oktober 2003, en de Participatiewet, aan de Raad van Europa door Nederland inmiddels op 22 februari 2016 heeft plaatsgevonden. Hierbij is tevens een voorbehoud opgenomen dat luidt als volgt: “Ten aanzien van burgers van de Europese Unie aanvaardt de Nederlandse regering de verplichting om onderdanen van de andere lidstaten van de Europese Unie op gelijke voet met de eigen onderdanen sociale en medische bijstand te verlenen slechts in zoverre overeenkomstige verplichtingen voortvloeien uit het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie.” Publicatie van deze verdragswijziging heeft plaatsgevonden in het Tractatenblad van
3 mei 2016, nr. 57.
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 november 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;
- herroept het besluit van 5 februari 2014 en bepaalt dat het college aan appellante met ingang van 8 december 2013 tot 5 maart 2014 bijstand toekent naar de op haar van toepassing zijnde norm;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 10 november 2014;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.480,-;
- bepaalt dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 168,- vergoedt.