ECLI:NL:CRVB:2016:4213

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2016
Publicatiedatum
4 november 2016
Zaaknummer
16/562 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 AOWArt. 35 AOWArt. 36 AOWArt. 63 ANWArt. 63a ANW
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag vrijwillige verzekering AOW en ANW wegens ontbreken verplichte verzekering

Appellant, die van 1996 tot 2000 in Nederland woonde en werkte, verzocht op 1 november 2014 om toelating tot de vrijwillige verzekering voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) en Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af omdat appellant nooit verplicht verzekerd was geweest voor deze wetten, met name in het jaar voorafgaand aan de aanvraag.

Appellant voerde aan dat hij op grond van een WAO-uitkering toch verplicht verzekerd zou zijn. De Raad oordeelde echter dat personen die buiten Nederland wonen en een WAO-uitkering ontvangen sinds 1 januari 2000 niet verplicht verzekerd zijn voor de AOW en ANW. De wettelijke bepalingen schrijven voor dat vrijwillige verzekering alleen mogelijk is aansluitend op een periode van verplichte verzekering en binnen een jaar na het einde daarvan.

De rechtbank Amsterdam had het bezwaar van appellant tegen het afwijzende besluit van de Svb ongegrond verklaard, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De aanvraag tot vrijwillige verzekering AOW en ANW werd afgewezen omdat appellant niet verplicht verzekerd was in het jaar voorafgaand aan de aanvraag.

Uitspraak

16/562 AOW
Datum uitspraak: 4 november 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
15 december 2015, 15/4027 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2016. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant woonde vanaf 18 december 1996 in Nederland en is hier in de periode van
27 september 1999 tot en met 24 maart 2000 werkzaam geweest. Kort daarop is appellant vertrokken naar Marokko. Aan appellant is een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke met ingang van 2 april 2001 beëindigd werd. Op 21 juli 2008 is de WAO-uitkering met terugwerkende kracht per 2 april 2001 toegekend.
1.2.
Appellant heeft op 1 november 2014 de Svb verzocht hem in aanmerking te brengen voor de vrijwillige verzekering voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij besluit van 16 december 2014 heeft de Svb het verzoek van appellant afgewezen. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant nooit verplicht verzekerd is geweest voor de AOW/ANW. Bij besluit van 29 mei 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat appellant in ieder geval in het jaar voorafgaand aan zijn verzoek van 1 november 2014 niet verplicht verzekerd is geweest, zodat reeds om die reden deelname aan de vrijwillige verzekering wordt geweigerd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet verplicht verzekerd is geweest voor de AOW/ANW zodat het verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering terecht is afgewezen.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij een WAO-uitkering ontvangt en bereid is de premies voor de vrijwillige verzekering vanaf 2000 te voldoen.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
Op grond van de artikelen 34, 35 en 36 van de AOW en artikel 63, 63a, 63b van de ANW is vrijwillige verzekering op grond van de AOW en de ANW alleen mogelijk in aansluiting op een periode van verplichte verzekering op grond van die wetten en voor zover de aanvraag voor toelating tot vrijwillige verzekering wordt ingediend uiterlijk één jaar na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd.
4.3.
Appellant heeft op 1 november 2014 verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de ANW. Gedurende het jaar voorafgaande aan deze aanvraag was appellant in ieder geval niet verplicht verzekerd krachtens die wetten omdat hij toen niet in Nederland woonde of werkte. Voor zover appellant betoogt dat hij op basis van zijn
WAO-uitkering wel verplicht verzekerd was wordt geoordeeld dat buiten het Rijk wonende personen die een WAO-uitkering ontvangen, sinds 1 januari 2000 niet verplicht verzekerd zijn ingevolge de AOW en de ANW, wat vóór die datum onder bepaalde omstandigheden wel het geval was.
4.4.
Uit overwegingen 4.2 en 4.3 vloeit voort dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering voor de AOW en de ANW, zodat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4.5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P. Vrolijk, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2016.
(getekend) P. Vrolijk
(getekend) A.M.C. de Vries
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekering.
IvR