ECLI:NL:CRVB:2016:4218
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag met terugwerkende kracht wegens detentie en onderhoudseis
Appellant had kinderbijslag ontvangen voor zijn dochter, maar dit werd in 2008 beëindigd omdat hij niet meer verzekerd was voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). In 2013 vroeg appellant opnieuw kinderbijslag aan met terugwerkende kracht van vijf jaar, onder vermelding van zijn detentie in Frankrijk van 2008 tot 2013. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde dit met terugwerkende kracht toe te kennen, met verwijzing naar het beleid dat terugwerkende kracht maximaal één jaar is, tenzij sprake is van een bijzonder geval.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat detentie geen bijzonder geval is en dat appellant niet controleerbaar had aangetoond dat hij aan de onderhoudseis had voldaan. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn detentie wel een bijzonder geval was en dat hij via zijn broer geld had overgemaakt voor het onderhoud van zijn dochter.
De Raad oordeelde dat detentie geen bijzonder geval vormt omdat appellant met hulp van derden eerder een aanvraag had kunnen indienen. Tevens voldeed de wijze van onderhoudsbewijzen niet aan de eis van eenvoudige controleerbaarheid. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag met terugwerkende kracht vanwege het ontbreken van een bijzonder geval en onvoldoende bewijs van onderhoud.