ECLI:NL:CRVB:2016:4232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand wegens onderhoudsplicht ouders
Appellant, jonger dan 21 jaar, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van rechtsbijstand. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees dit af omdat zijn ouders financieel verantwoordelijk zijn en niet is gebleken dat zij niet in staat zijn de kosten te dragen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het gezamenlijke inkomen van de ouders voldoende is en er geen aanwijzingen zijn voor een verstoorde relatie die appellant zou beletten bij zijn ouders aan te kloppen.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn biologische vader onvindbaar is, zijn moeder onvoldoende middelen heeft en dat de stiefvader niet onderhoudsplichtig zou zijn. Ook stelde hij dat de relatie ernstig verstoord is.
De Raad oordeelde dat zowel moeder als stiefvader onderhoudsplichtig zijn op grond van het Burgerlijk Wetboek en dat de financiële gegevens van de stiefvader niet anders doen besluiten. Verder ontbrak bewijs voor een ernstig verstoorde relatie; integendeel, er zijn aanwijzingen van financiële ondersteuning door de ouders.
Daarom is het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank bevestigd en is het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand wordt afgewezen omdat ouders onderhoudsplichtig zijn en geen sprake is van een verstoorde relatie.