Uitspraak
8 december 2015, 15/6290 (aangevallen uitspraak 1) en van 2 mei 2016, 16/912 (aangevallen uitspraak 2)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand en verhuisde in februari 2015 naar een nieuw adres. Naar aanleiding van een melding startte de gemeente een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Tijdens een huisbezoek bleek dat appellant geen sleutel had van zijn kamer, er geen persoonlijke spullen aanwezig waren en hij tegenstrijdige verklaringen gaf over zijn woonsituatie.
Het college besloot de bijstand op te schorten en later in te trekken, en vorderde gemaakte kosten terug. Appellant diende nieuwe aanvragen in, die werden afgewezen omdat hij niet aannemelijk maakte dat hij op het uitkeringsadres woonde. Ook werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel woonde op het adres en een afwijkende leefstijl had, maar de Raad oordeelde dat het college voldoende grond had om de intrekking en afwijzing te baseren op de feiten en het ontbreken van bewijs van woonachtigheid. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en afwijzing van bijstandsaanvragen wegens onduidelijkheid over woonsituatie worden bevestigd.