Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:4338

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 november 2016
Publicatiedatum
15 november 2016
Zaaknummer
15/5262 AOR
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 6:15 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen inhouding loonheffing op AOR-uitkering niet-ontvankelijk wegens onbevoegdheid bestuursorgaan

Appellant, geboren in 1946, ontving een uitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) vanwege erkend oorlogsletsel. Bij besluit van 22 juli 2015 werd bezwaar van appellant tegen de inhouding van loonheffing op deze uitkering ongegrond verklaard door de Sociale verzekeringsbank.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bezwaar tegen de loonheffing niet bij de Sociale verzekeringsbank had moeten worden ingediend, maar bij de inspecteur der belastingen, conform artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De Raad stelt vast dat de Sociale verzekeringsbank niet bevoegd was om over het bezwaar te beslissen en dat het bezwaar had moeten worden doorgezonden naar de belastinginspecteur.

Daarom verklaart de Raad het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt. Er zijn geen aanwijzingen voor vergoeding van overige proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 22 juli 2015 wordt vernietigd wegens onbevoegdheid van de Sociale verzekeringsbank.

Uitspraak

15/5262 AOR
Datum uitspraak: 3 november 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Thailand (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 juli 2015, kenmerk BZ01828712 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2016. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is geboren in 1946 in het toenmalig Nederlands-Indië. Bij besluit van 25 maart 2009 zijn de psychische klachten van appellant aanvaard als oorlogsletsel in de zin van de AOR en is de mate van ongeschiktheid voor het verrichten van passende arbeid vastgesteld
op 100%.
1.2.
Bij besluit van 14 januari 2015 is de uitkering van appellant op grond van de AOR met ingang van 1 januari 2015 vastgesteld op € 646,46 bruto per maand. Na inhouding van
€ 53,67 aan loonheffing wordt aan appellant per maand netto € 592,79 betaalbaar gesteld.
1.3.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de loonheffing van € 53,67. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Blijkens het beroepschrift is in geschil de inhouding van loonheffing.
2.2.
Op grond van artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan een belanghebbende bij de inspecteur der belastingen een bezwaarschrift indienen tegen het bedrag dat als belasting door een inhoudingsplichtige van hem is ingehouden. Dit betekent dat voor appellant ten aanzien van het bedrag dat als loonheffing is ingehouden, bezwaar openstond bij de inspecteur der belastingen en vervolgens beroep bij de belastingrechter. Gegeven deze rechtsgang moet de Raad concluderen dat verweerder niet bevoegd was om op het bezwaar van appellant te beslissen en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht had dienen door te zenden naar de bevoegde belastinginspecteur.
2.3.
Dit betekent dat het beroep van appellant gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal alsnog dienen over te gaan tot de doorzending, bedoeld onder 2.2.
3. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het besluit van 22 juli 2015;
-bepaalt dat de minister aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en
M.T. Boerlage als leden in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2016.
(getekend) B.J. van de Griend
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD