ECLI:NL:CRVB:2016:4338
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen inhouding loonheffing op AOR-uitkering niet-ontvankelijk wegens onbevoegdheid bestuursorgaan
Appellant, geboren in 1946, ontving een uitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) vanwege erkend oorlogsletsel. Bij besluit van 22 juli 2015 werd bezwaar van appellant tegen de inhouding van loonheffing op deze uitkering ongegrond verklaard door de Sociale verzekeringsbank.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bezwaar tegen de loonheffing niet bij de Sociale verzekeringsbank had moeten worden ingediend, maar bij de inspecteur der belastingen, conform artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De Raad stelt vast dat de Sociale verzekeringsbank niet bevoegd was om over het bezwaar te beslissen en dat het bezwaar had moeten worden doorgezonden naar de belastinginspecteur.
Daarom verklaart de Raad het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt. Er zijn geen aanwijzingen voor vergoeding van overige proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 22 juli 2015 wordt vernietigd wegens onbevoegdheid van de Sociale verzekeringsbank.