ECLI:NL:CRVB:2016:4379
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Weigering Wuv-uitkering wegens onvoldoende medische relatie met vervolging
Appellant, geboren in 1944, verzocht in maart 2013 om een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder erkende appellant als vervolgde, maar wees een periodieke uitkering af omdat de psychische en lichamelijke klachten niet aan de vervolging zelf konden worden toegeschreven. Appellant stelde dat zijn klachten verband hielden met zowel zijn eigen vervolging als de gevolgen van de vervolging van zijn moeder en familie.
De medische adviezen van geneeskundig adviseurs G.L.G. Kho en A.M. Ohlenschlager concludeerden dat de klachten voornamelijk voortkomen uit de opvoeding door zijn oorlogsgetraumatiseerde moeder, en dat het aandeel van zijn eigen vervolging gering is. De Raad achtte het bestreden besluit op basis van deze medische rapporten deugdelijk gemotiveerd en vond geen objectieve medische gegevens die het verband met de eigen vervolging aantonen.
De Raad benadrukte dat de zogenoemde tweede generatieproblematiek, de gevolgen van de vervolging voor de moeder, niet in de beoordeling kan worden meegenomen omdat sinds 1 juli 1994 deze groep niet meer onder de Wuv valt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de Wuv-uitkering wordt ongegrond verklaard.