ECLI:NL:CRVB:2016:451

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 februari 2016
Publicatiedatum
9 februari 2016
Zaaknummer
15/667 WWB-T
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • O.L.W.H.I. Korte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij terugvordering bijstand

Appellant ontving bijstand vanaf 1997 en kreeg later terugvorderingsbesluiten opgelegd wegens het niet melden van studiefinanciering in de periode 1997-2000. Het college verklaarde het bezwaar tegen deze besluiten niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De rechtbank bevestigde dit.

In hoger beroep stelde appellant dat hij de besluiten pas in 2013 ontving, en het college onvoldoende bewijs leverde van tijdige verzending. De Raad oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat de besluiten per post naar het juiste adres waren verzonden, mede omdat geen verzendregister of andere bewijsstukken waren overgelegd.

De Raad verwierp het standpunt van het college dat uit een gesprek in 2003 ontvangst kon worden afgeleid. Hierdoor was de termijn voor bezwaar niet gestart en was het bezwaar tijdig ingediend. De eerdere uitspraak en het bestreden besluit konden daarom niet in stand blijven.

De Raad draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen waarin het college ingaat op de inhoudelijke gronden van het bezwaar, waaronder het beroep op verjaring. Dit om een spoedige en definitieve geschilbeslechting te waarborgen.

Uitkomst: Besluit tot niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens termijnoverschrijding wordt vernietigd; college moet nieuw besluit nemen.

Uitspraak

15/667 WWB-T
Datum uitspraak: 2 februari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
18 december 2014, 14/629 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.E. Hoogenraad, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2015. Voor appellant is verschenen mr. P. Hoogenraad, kantoorgenoot van mr. M.E. Hoogenraad. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Keyser.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 10 juli 1997 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van een signaal van de Informatie Beheer Groep (IBG) te Groningen van 9 februari 2001 dat appellant studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering (Wsf) ontving, heeft de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Uit dit onderzoek is gebleken dat appellant in de periode van 1 augustus 1997 tot en met 31 december 2000 studiefinanciering heeft ontvangen en hiervan geen melding heeft gemaakt op de maandelijks door hem ingeleverde rechtsmatigheidsformulieren.
1.3.
Bij besluit van 28 januari 2002 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2001 ingetrokken op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat hij geen gevolg heeft gegeven aan diverse oproepen om inlichtingen te verstrekken. Hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.4.
Bij besluit van 18 oktober 2002 (primair besluit 1) heeft het college de over de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 mei 1998 aan appellant verleende bijzondere bijstand beëindigd (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.360,76 van appellant teruggevorderd.
1.5.
Bij besluit van 19 oktober 2002 (primair besluit 2) heeft het college de bijstand vanaf
1 januari 1998 herzien (lees: ingetrokken) en de over de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 mei 2000 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 21.943,63 van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan beide primaire besluiten ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden doordat hij geen melding heeft gemaakt van het ontvangen van studiefinanciering en hierdoor geen recht had op bijstand.
1.6.
Op 23 juni 2013 heeft mr. P. Hoogenraad bezwaar gemaakt tegen de primaire
besluiten 1 en 2.
1.7.
Bij besluit van 20 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat zijn bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Hij heeft beide besluiten pas op 20 juni 2013 ontvangen, namelijk gevoegd als bijlage bij een brief van het college van 18 juni 2013. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de besluiten eerder daadwerkelijk zijn verzonden. De besluiten zijn per niet-aangetekende post verzonden en het college heeft geen deugdelijke verzendadministratie bijgehouden. Daarnaast kan uit het op 10 april 2003 met appellant gevoerde gesprek niet worden afgeleid dat hij de besluiten op dat moment al had ontvangen. Bovendien zijn de vorderingen tot terugvordering inmiddels verjaard.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift
niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.2.
Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen. Voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de betrokkene daarin, dan zal het bestuursorgaan nader bewijs moeten leveren ten aanzien van de ontvangst van het besluit. Tegen de achtergrond van het hiervoor vermelde beoordelingskader overweegt de Raad het volgende.
4.3.
Niet in geschil is dat appellant in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Rotterdam op 30 januari 2002 van het adres [adres 1] is uitgeschreven en op dezelfde datum in de gemeente [M] is ingeschreven op het adres van zijn moeder aan de [adres 2] te [M]. Dat adres is vermeld op beide besluiten.
4.4.
Het college heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat de besluiten, die niet per aangetekende post zijn verzonden, daadwerkelijk op 18 en 19 oktober 2002 zijn verzonden naar het adres waarop appellant op dat moment stond ingeschreven. Het college heeft ter zitting van de Raad erkend dat niet aan de hand van een verzendregister of op andere wijze aannemelijk kan worden gemaakt dat de besluiten zijn verzonden.
4.5.
Het college heeft zich niettemin op het standpunt gesteld dat uit een verslag van een door een sociaal rechercheur met appellant op 27 maart 2003 gevoerd gesprek kan worden afgeleid dat appellant de ontvangst van de besluiten heeft erkend. Anders dan de rechtbank deelt de Raad dit standpunt niet. Uit dit verslag kan immers alleen worden afgeleid dat appellant heeft erkend dat hij nooit tegen de sociale dienst heeft verteld dat hij studiefinanciering ontving, dat hij op een gegeven moment is gestopt met het invullen van de maandelijkse vragenformulieren van de sociale dienst en dat zijn uitkering om die reden is beëindigd. Tevens heeft hij verklaard dat hij, nadat alles aan hem was uitgelegd, begreep dat de sociale dienst de periode waarin hij een uitkering kreeg, terug wil hebben. Hieruit kan niet worden afgeleid dat appellant ten tijde van dat gesprek de primaire besluiten 1 en 2 al had ontvangen.
4.6.
Het voorgaande betekent dat verzending van de in geding zijnde besluiten in rechte niet kan worden aangenomen en dat de termijn als bedoeld in artikel 6:7 van Pro de Awb niet is aangevangen één dag na de datering van deze besluiten. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellant eerder dan na ontvangst van de brief van het college van 18 juni 2013 kennis heeft genomen van deze besluiten. Nu het bezwaarschrift tegen deze besluiten op 25 juni 2013 door het college is ontvangen, is het tijdig ingediend, zodat het bezwaar ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard.
4.7.
De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.
4.8.
De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien, omdat het college geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de in het bezwaarschrift van 23 juni 2013 tegen de besluiten aangevoerde gronden. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant bevestigd, dat geen andere gronden worden aangevoerd tegen de primaire besluiten 1 en 2 dan dat de terugvorderingen zijn verjaard. Nu het college bij het bestreden besluit niet is ingegaan op het door appellante gedane beroep op verjaring, ziet de Raad met het oog op spoedige en definitieve geschillenbeslechting aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen dit gebrek te herstellen door daarover een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij kan het college ook zijn eerst ter zitting ingenomen stelling, dat een eventuele verjaring door erkenning in gesprekken met appellant en door aanmaning of daden van rechtsvervolging is gestuit, betrekken en onderbouwen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 20 december 2013 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.W.H.I. Korte, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2016.
(getekend) O.L.W.H.I. Korte
(getekend) M.S. Spek

HD