Uitspraak
19 april 2016, 14/3911 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de korpschef tot toekenning en overgang naar een LFNP-functie, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde. In hoger beroep voerde appellant geen inhoudelijke gronden aan, maar verzocht om vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Raad oordeelde dat de totale duur van bezwaar en beroep ruim twee jaar bedroeg, waarmee de redelijke termijn met bijna drie maanden was overschreden. De overschrijding was toe te rekenen aan zowel de bestuurlijke fase als de rechterlijke fase. De rechtbank had ambtshalve moeten toetsen op overschrijding en een vergoeding toekennen, maar had dit nagelaten.
De Raad vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin geen vergoeding werd toegekend en kende alsnog een immateriële schadevergoeding toe van €500,-, verdeeld over €167,- ten laste van de korpschef en €333,- ten laste van de Staat. Daarnaast werden de proceskosten en griffierecht aan appellant toegewezen.
Uitkomst: De Raad kent een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van bezwaar en beroep.