Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
17 december 2014;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een adres te [woonplaats 1]. Na een melding dat zij tijdelijk bij haar moeder verbleef, stelde de gemeente Amsterdam een onderzoek in naar haar woonsituatie. Uit gesprekken en huisbezoek bleek dat appellante onduidelijkheid gaf over haar verblijfplaatsen en dat haar verklaringen niet overeenkwamen met de bevindingen.
Het college trok bij besluit van 29 september 2014 de bijstand in met ingang van 1 juli 2014 en vorderde de kosten over juli terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante onvolledige en onjuiste informatie had verstrekt waardoor haar woonsituatie onvoldoende vaststond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij tijdig melding had gemaakt van haar situatie en dat het college onzorgvuldig handelde. De Raad oordeelde dat voor de periode 1 juli tot en met 5 september 2014 de intrekking terecht was, maar dat voor de periode 6 tot en met 29 september 2014 onvoldoende onderzoek was gedaan. Daarom werd het besluit voor die periode vernietigd.
De terugvordering over juli 2014 werd bevestigd omdat het college daartoe verplicht was. Appellante slaagde er niet in dringende redenen aan te tonen om van terugvordering af te zien. Het college werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd aan appellante vergoed.
Uitkomst: Intrekking bijstand over 6-29 september 2014 vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag, terugvordering over juli 2014 bevestigd.