Uitspraak
4 januari 2016, 15/3509 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds juni 2013 bijstand op basis van de Wet werk en bijstand (WWB) met als woonadres een woning te Spijkenisse. Na uitnodigingen voor een periodieke hercontrole verscheen appellant niet op de eerste afspraak, maar wel op de tweede. Tijdens het geplande huisbezoek op het opgegeven adres was appellant echter afwezig en werd niet opengedaan. Het college ontving vervolgens een schriftelijke verklaring van de hoofdbewoner dat appellant niet meer op dat adres woonde.
Op grond hiervan trok het college de bijstand per 28 oktober 2014 in, later gewijzigd naar 17 november 2014, de datum van de verklaring van de hoofdbewoner. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij tot medio december 2014 op het adres verbleef en dat de verklaring van de hoofdbewoner onjuist was.
De Raad oordeelde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant vanaf 17 november 2014 niet meer op het uitkeringsadres woonde. De verklaring van de hoofdbewoner, ondertekend en afgegeven op het gemeentehuis, en het feit dat appellant niet aanwezig was tijdens het huisbezoek, waren doorslaggevend. Het verweer dat de verklaring uit angst onjuist zou zijn, werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering per 17 november 2014 wegens niet wonen op het uitkeringsadres wordt bevestigd.