ECLI:NL:CRVB:2016:4639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende informatie over bankstorting en eigendom auto
Appellant vroeg op 22 september 2014 bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand. Het college nodigde hem uit voor een gesprek en verzocht bankafschriften mee te brengen. Tijdens het gesprek verklaarde appellant dat een auto op zijn naam stond, maar eigendom was van zijn oom, en dat een storting van €1.700,- op zijn rekening afkomstig was van die oom voor het betalen van verkeersboetes. Het college stelde echter vast dat de auto sinds augustus 2014 op naam van appellant stond en dat de boetes van voor die datum waren.
Het college wees de aanvraag af wegens onvoldoende informatie over de storting en onjuiste informatie over de auto. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Appellant had onvoldoende onderbouwing geleverd over de herkomst van het bedrag en de bestedingen, en de verklaringen van zijn oom waren onvoldoende concreet en verifieerbaar.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar bracht geen nieuwe stukken aan. De Raad volgde de rechtbank en bevestigde dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende informatie en onjuiste gegevens.