ECLI:NL:CRVB:2016:4646
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning burger-oorlogsslachtoffer en tegemoetkoming huishoudelijke hulp wegens ontbreken blijvende invaliditeit
Appellant, geboren in 1939 in het toenmalig Nederlands-Indië, diende in 1999 een aanvraag in voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Hoewel het oorlogsgeweld werd erkend, werd de aanvraag afgewezen omdat geen sprake was van blijvende lichamelijke of psychische invaliditeit. In 2014 verzocht appellant om een tegemoetkoming in de kosten van huishoudelijke hulp, welke eveneens werd afgewezen.
De Raad beoordeelde of appellant aan de criteria voor blijvende invaliditeit voldeed, waarbij verweerder het medisch advies van arts A.J. Maas en de heroverweging door R.J. Roeloefs als grondslag nam. Uit het medisch onderzoek bleek dat psychische klachten wel aan het oorlogsgeweld werden toegeschreven, maar niet leidden tot beperkingen in ten minste twee van de vier AMA-rubrieken, waardoor geen sprake was van blijvende invaliditeit. Lichamelijke klachten werden niet aan het oorlogsgeweld toegeschreven.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd. Er was geen medische onderbouwing voor het betoog van appellant dat zijn rugklachten onvoldoende waren onderzocht, en de omgekeerde bewijslast was niet van toepassing. Het beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de afwijzing van erkenning en tegemoetkoming in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit, waardoor erkenning en tegemoetkoming worden afgewezen.