Uitspraak
OVERWEGINGEN
.In beroep komt appellant op tegen de inkomstenkorting en de hoogte van de toelage dmv. Hij wijst op zijn onkosten welke voor vergoeding in aanmerking dienen te komen.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, erkend burger-oorlogsslachtoffer, maakte bezwaar tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank waarin de garantie-uitkering vanwege zijn samenwoning werd vastgesteld op € 0,00 per maand. Verweerder had een inkomstenkorting toegepast op basis van de bruto-inkomsten van appellant en zijn samenwonende partner.
De Raad beoordeelde of de inkomstenkorting correct was toegepast en concludeerde dat dit het geval was. Volgens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (Wubo) moet de garantie-uitkering worden herzien bij het aangaan van een duurzame gezamenlijke huishouding en dienen alle bruto-inkomsten van appellant en zijn partner in mindering te worden gebracht.
De Raad verwierp het betoog van appellant dat de inkomstenkorting op netto-inkomsten had moeten worden gebaseerd en dat zijn onkosten in aanmerking genomen moesten worden. Ook verklaarde de Raad het bezwaar tegen de tegemoetkoming voor deelname aan het maatschappelijk verkeer niet-ontvankelijk omdat hierover geen nieuw besluit was genomen.
Uiteindelijk werd het beroep ongegrond verklaard en bleef het bestreden besluit in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot vaststelling van de garantie-uitkering op nul euro blijft in stand.