ECLI:NL:CRVB:2016:4704
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor aflossing huurschuld wegens ontbreken dringende redenen
Appellant en zijn gezin zijn in 2010 uit hun woning gezet vanwege een huurachterstand en hebben sindsdien geen vaste verblijfplaats. In 2014 vroeg appellant bijzondere bijstand aan voor het aflossen van een openstaande huurschuld van €5.623,73. Het college wees dit verzoek af op grond van de WWB, omdat voor het aflossen van schulden geen bijzondere bijstand wordt verleend zonder zeer dringende redenen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat er wel zeer dringende redenen waren, omdat hij en zijn gezin door de huurschuld geen woning konden krijgen en noodgedwongen zwerven, wat stress en ernstige calamiteiten veroorzaakte.
De Raad toetste of de situatie van appellant voldeed aan de criteria van zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 49 WWB Pro en de gemeentelijke richtlijn schulden. Omdat de woning al in 2010 was ontruimd en appellant geen concrete onderbouwing gaf voor een actuele dreiging van uithuiszetting of ernstige calamiteiten, concludeerde de Raad dat geen onvermijdelijke bijstandsverlening noodzakelijk was.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor aflossing van de huurschuld wordt bevestigd wegens ontbreken van zeer dringende redenen.