ECLI:NL:CRVB:2016:4717
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op AOW-toeslag wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven
Appellant ontving vanaf 19 februari 2013 een AOW-pensioen voor gehuwden met een toeslag. Na navraag bleek dat zijn echtgenote vanaf 1 januari 2013 een pensioen ontving, waardoor de Sociale Verzekeringsbank (Svb) het recht op toeslag voor de periode februari 2013 tot en met juni 2014 herzag en de te veel betaalde toeslag van €6.375,56 terugvorderde.
Appellant stelde bezwaar in met het argument dat hij duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. De Svb verklaarde het bezwaar ongegrond omdat geen sprake was van duurzaam gescheiden leven. De rechtbank Oost-Brabant bevestigde dit oordeel, stellende dat uit de feiten niet ondubbelzinnig bleek dat appellant duurzaam gescheiden leefde. De verklaring van de echtgenote over een beëindigde buitenechtelijke relatie in 2013 ondersteunde dit niet.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij en zijn echtgenote in verschillende delen van de woning leefden en niet communiceerden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit onvoldoende bewijs is voor duurzaam gescheiden leven, omdat geen nieuwe feiten waren ingebracht die tot een ander oordeel konden leiden. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door P. Vrolijk in aanwezigheid van griffier L.H.J. van Haarlem op 9 december 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op AOW-toeslag wordt niet toegekend wegens ontbreken van duurzaam gescheiden leven.