Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1949, vroeg in november 2013 een AOW-pensioen aan en stelde dat hij vanaf 1989 in Nederland had gewoond en gewerkt. Hij overhandigde twee loonstroken uit 1990 ter onderbouwing. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) onderzocht dit en constateerde dat appellant niet in het bevolkingsregister van Rotterdam stond ingeschreven. Tevens ontving appellant vanaf 1996 een WAO-uitkering.
De Svb kende appellant een AOW-pensioen toe van slechts 2% van het gehuwdenpensioen, omdat hij volgens hen niet verzekerd was in de periode van 1964 tot 1990 en van 1991 tot 2014. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam wees het beroep van appellant af vanwege het ontbreken van bewijs voor de verzekeringsjaren.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn stelling zonder aanvullende bewijsstukken te leveren. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de toekenning van slechts 2% AOW-pensioen bevestigd wegens onvoldoende bewijs van verzekeringsjaren.