ECLI:NL:CRVB:2016:4772
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet wonen op opgegeven uitkeringsadres bevestigd
Verzoeker ontving bijstand op grond van de Participatiewet vanaf mei 2015. Na een onderzoek van de gemeente Amsterdam, waarbij onder meer een huisbezoek plaatsvond, concludeerde het college dat verzoeker niet op het opgegeven uitkeringsadres woonde. Dit leidde tot opschorting en later intrekking van de bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen de intrekking ongegrond. Verzoeker stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat nader onderzoek niet nodig was en deed direct uitspraak in de hoofdzaak.
De bevindingen tijdens het huisbezoek toonden aan dat de woning nauwelijks was ingericht en er weinig persoonlijke bezittingen aanwezig waren. Verzoeker gaf wisselende verklaringen over zijn woon- en leefomstandigheden. Ook ontbraken levensmiddelen en administratie in de woning, wat het standpunt van het college ondersteunde.
De Raad concludeerde dat het college terecht de bijstand heeft ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om een voorlopige voorziening werd geweigerd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt geweigerd; de intrekking van de bijstand blijft van kracht.