Uitspraak
9 oktober 2015, 15/1222 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening en vernietigde het besluit van het college. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening geldt, die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en internationale verplichtingen. Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door H.J. de Mooij, met M.S.E.S. Umans als griffier, op 21 december 2016.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen de afwijzing van maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wordt ongegrond verklaard vanwege de aanwezigheid van een voorliggende voorziening, de VBL.