Uitspraak
9 oktober 2015, 15/17 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag bij besluit van 31 juli 2014 af en verklaarde het bezwaar van betrokkene ongegrond bij besluit van 9 december 2014.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) als een voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat een vreemdeling gebruik kan maken van opvang in een VBL en dat deze opvang voldoende invulling geeft aan de positieve verplichting tot opvang uit het internationaal recht.
Gelet hierop vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De beslissing werd uitgesproken op 21 december 2016 door rechter H.J. de Mooij.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd vanwege het bestaan van een voorliggende voorziening, de VBL.