ECLI:NL:CRVB:2016:4886
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening VBL
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, diende een aanvraag in voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat betrokkene recht had op maatschappelijke opvang conform de bed-bad-broodvoorziening en vernietigde het besluit van het college. Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voldoende en voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en internationale verplichtingen. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarmee het besluit van het college werd bekrachtigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 december 2016.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit van het college tot afwijzing van maatschappelijke opvang wordt bekrachtigd.